Het nieuwe minderheidskabinet onder leiding van Rob Jetten begint met een duidelijke uitdaging: het vertrouwen van kiezers staat vanaf dag één onder druk.

Uit een recent onderzoek van EenVandaag blijkt dat 32 procent van de kiezers vertrouwen heeft in het kabinet dat is gevormd door D66, VVD en CDA. Dat is een opvallend laag startpunt, zeker als je het vergelijkt met eerdere kabinetten die aan hun termijn begonnen met een hoger vertrouwen.
Het gaat bovendien om een minderheidskabinet.
Dat betekent dat de coalitie in het parlement steun moet zoeken bij andere partijen om wetten en plannen erdoorheen te krijgen. En juist dat ‘afhankelijk zijn van anderen’ maakt kiezers sneller onzeker.
Veel mensen vragen zich af hoe stabiel zo’n constructie in de praktijk is, zeker in een tijd waarin de meningen in de politiek hard botsen.
Lager vertrouwen dan bij kabinet-Schoof
Het onderzoek zet de cijfers naast eerdere kabinetten. Het kabinet-Schoof begon anderhalf jaar geleden met 42 procent vertrouwen.
Dat was al geen record, maar het lag wél duidelijk hoger dan de 32 procent waar kabinet-Jetten nu mee start. Belangrijk detail: kabinet-Schoof had destijds ook een meerderheid in zetels, waardoor het minder afhankelijk was van wisselende steun.
Bij een minderheidskabinet is dat anders. Daar speelt al snel de vraag: wat gebeurt er als één partij opeens dwars gaat liggen? Of als er bij een gevoelig onderwerp geen extra steun te vinden is? Die onzekerheid werkt door in hoe mensen naar het nieuwe kabinet kijken, nog vóórdat de eerste grote besluiten zijn genomen.
VVD-kiezers opvallend kritisch
Opvallend in het onderzoek is dat juist VVD-kiezers relatief weinig vertrouwen laten zien in het nieuwe kabinet.
Volgens de cijfers heeft 45 procent van de VVD-achterban vertrouwen. Dat klinkt nog steeds hoger dan gemiddeld, maar binnen de eigen achterban is het volgens het onderzoek juist het laagste vertrouwen vergeleken met de andere coalitiepartijen.
Daar zit een duidelijke reden achter: veel VVD-kiezers hadden liever een meerderheidscoalitie gezien, en dan bij voorkeur met een extra rechtse partij erbij. In hun ogen is een minderheidsconstructie simpelweg minder betrouwbaar. Er leeft ook het idee dat je als regeringspartij niet elke week opnieuw moet onderhandelen om beleid door te krijgen.
D66 en CDA geven ‘voordeel van de twijfel’
Bij D66- en CDA-kiezers ligt dat anders. Daar is er volgens het onderzoek wél vertrouwen, maar vaak met een kanttekening: veel mensen geven het kabinet vooral het voordeel van de twijfel. Met andere woorden: eerst maar eens zien of het werkt.
Interessant is dat sommige respondenten in het onderzoek de VVD zelfs zien als een mogelijke onstabiele factor binnen de coalitie.
Dat is precies het soort beeld waar een kabinet last van kan krijgen: als de eigen achterban twijfelt en anderen denken dat een partij elk moment kan gaan schuiven.
Rob Jetten zelf start ook lager dan voorgangers
Niet alleen het kabinet als geheel krijgt een bescheiden startcijfer. Ook premier Rob Jetten begint met een relatief laag vertrouwenspercentage. Volgens het onderzoek start hij op 41 procent vertrouwen. Ter vergelijking: Mark Rutte begon ooit met 51 procent, en Schoof startte met 57 procent.
Respondenten noemen wel degelijk positieve punten. Jetten krijgt complimenten voor zijn positiviteit en visie. Maar er is ook kritiek, vooral op hoe hij is omgegaan met een kwestie binnen zijn eigen partij.
De kwestie rond Nathalie van Berkel blijft hangen
Een belangrijke reden waarom kiezers kritisch zijn, is de situatie rond Nathalie van Berkel. Zij trok zich terug als staatssecretaris van Financiën en later ook als Tweede Kamerlid, nadat er onwaarheden op haar cv naar voren kwamen.
In het onderzoek zeggen kiezers dat Jetten daar niet stevig genoeg zou hebben opgetreden.
Een reactie uit het onderzoek vat het gevoel goed samen: volgens een VVD-stemmer had Jetten haar direct moeten wegsturen en het niet aan haarzelf moeten overlaten.
Dat wordt gezien als een zwakke start, juist omdat leiderschap in de eerste weken extra zwaar wordt gewogen. Mensen letten dan op alles: snelheid, duidelijkheid, en hoe hard er wordt ingegrepen als er iets misgaat.
Kritiek op VVD-kopstukken en opvallende functiewissel
Het onderzoek laat ook zien dat kiezers niet alleen naar Jetten kijken, maar ook kritisch zijn op VVD-kopstukken Sophie Hermans en Dilan Yeşilgöz.
Over Yeşilgöz zit er een nuance in de cijfers: als minister krijgt zij binnen haar achterban meer vertrouwen dan als partijleider. Toch zijn veel deelnemers niet enthousiast over de keuzes die rondom haar positie zijn gemaakt.
Een punt dat veel terugkomt: de functiewissel met Ruben Brekelmans wordt door veel respondenten als onbegrijpelijk gezien. Volgens het onderzoek had 64 procent liever gezien dat Brekelmans, de huidige fractievoorzitter van de VVD, op zijn post was gebleven.
In een onzekere periode willen mensen herkenbaarheid en stabiliteit. Veranderingen aan de top voelen dan al snel als gedoe dat je er niet bij kunt hebben.
Een VVD-stemmer in het onderzoek zegt het zo: hij kent de mensen, en in een tijd als deze moet je niet veranderen.
Ook wordt genoemd dat Yeşilgöz volgens sommigen beter naar Justitie had kunnen gaan. Dat soort opmerkingen laat zien hoe sterk ‘gevoel’ en ‘logica’ meewegen bij vertrouwen: kiezers willen snappen waarom iets gebeurt.
Waarom een minderheidskabinet sneller wankel voelt
Een minderheidskabinet heeft één groot nadeel: het moet voortdurend aantonen dat het kan leveren. Bij elke grote maatregel hangt de vraag erboven: is er genoeg steun?
Dat maakt het kabinet kwetsbaar voor beeldvorming. Als er één keer een voorstel sneuvelt, wordt dat al snel gebracht als zwakte. Als er intern onenigheid is, wordt dat meteen uitvergroot.
Daar komt bij dat politieke tegenstanders in het parlement extra kansen zien om druk te zetten. En ook binnen de coalitie zelf kan de spanning oplopen, omdat elke partij bang is gezichtsverlies te lijden. In zo’n omgeving kan vertrouwen snel dalen, maar ook snel stijgen, afhankelijk van hoe de eerste maanden verlopen.
De komende maanden worden beslissend
De belangrijkste conclusie uit het onderzoek is eigenlijk simpel: het nieuwe kabinet begint met een achterstand in vertrouwen en zal snel moeten laten zien dat het stabiel en daadkrachtig is. Kiezers kijken extra scherp naar leiderschap, naar interne fouten en naar hoe partijen omgaan met kritiek.
Als het kabinet-Jetten erin slaagt om duidelijke keuzes te maken, steun te organiseren en rustig te blijven bij tegenslag, kan het vertrouwen alsnog groeien. Maar als er meer gedoe volgt, bijvoorbeeld door wisselende steun of interne incidenten, zal het lage startcijfer als een waarschuwing blijven terugkomen.
Voorlopig is het beeld duidelijk: het minderheidskabinet van D66, VVD en CDA begint niet met applaus, maar met twijfel. En in de politiek is twijfel vaak het begin van een lastige rit.





