In Nederland is het geven van fooi in restaurants altijd een beetje een grijs gebied geweest. Anders dan in landen zoals de Verenigde Staten, waar een fooi van 15 tot 20 procent bijna verplicht is, blijft het in ons kikkerlandje vaak bij een paar losse euro’s – als er überhaupt al iets extra’s wordt gegeven.
Maar waarom is dat eigenlijk zo? Zijn we zuinig? Weten we het niet? Of zit er meer achter? Tijd om de echte reden eens onder de loep te nemen.
Fooi geven zit niet in onze cultuur
Laten we meteen met de deur in huis vallen: Nederlanders zijn gewoonweg niet opgegroeid met het idee dat fooi geven standaard hoort. In de VS is het ingebakken in het systeem.
Daar zijn de lonen van bedienend personeel zó laag dat ze afhankelijk zijn van de fooien. In Nederland krijgt een ober of serveerster een normaal salaris, al is dat voor velen nog steeds aan de lage kant.
Maar het is geen minimumloon waarbij de rest opgevuld moet worden met tips. Daardoor voelt het voor veel mensen ook niet als een verplichting of morele plicht om extra geld neer te leggen na het eten.
Men verwacht dat service inbegrepen is
Veel Nederlanders zien een restaurantbezoek als een volledige dienst waarvoor ze al betalen. Ze hebben een gerecht besteld, een drankje erbij en krijgen daarvoor een rekening.
Dat die rekening al aan de hoge kant is, zeker met de huidige inflatie en stijgende horecaprijzen, zorgt ervoor dat mensen minder snel geneigd zijn om daarbovenop nog een fooi te geven.
De gedachte is simpel: “Ik heb toch al betaald voor de service?” Voor veel gasten is het geen extraatje waard, tenzij de bediening uitzonderlijk goed was.
De onzekerheid rondom wat gepast is
Een ander probleem is dat veel mensen gewoon niet weten wat nou een “goede” fooi is. Moet je 5 euro geven? 10%? Of gewoon het bedrag afronden? En wat doe je als je met pin betaalt? Er is geen duidelijke etiquette, en dat zorgt voor onzekerheid.
In plaats van iets verkeerd te doen, kiezen veel mensen er dan maar voor om helemaal niks te geven. Zeker jongere generaties, die minder gewend zijn aan traditionele omgangsvormen, slaan die stap gerust over.
Pinbetalingen maken het lastiger
Het klinkt misschien als een slap excuus, maar het speelt echt mee: het fooi geven is letterlijk lastiger geworden sinds we massaal zijn overgestapt op pinnen en contactloos betalen. Vroeger had je een paar losse euro’s op zak, die je zo op tafel kon leggen of in het bakje kon stoppen.
Nu moet je bij het afrekenen actief aangeven dat je een hoger bedrag wilt pinnen, of dat je contant wilt geven – iets wat ongemakkelijk kan aanvoelen. Veel mensen hebben simpelweg geen contant geld meer bij zich, en laten het dan maar zitten.
Service is niet altijd even goed
En dan nog iets wat vaak wordt gedacht maar zelden hardop wordt gezegd: in sommige gevallen is de bediening gewoon niet fooi-waardig.
Het duurt te lang, het personeel is ongeïnteresseerd, of het eten klopt niet met de bestelling. En hoewel dat niet per se aan de individuele medewerker ligt – het kan ook druk zijn, er kunnen personeelsproblemen spelen – is dat wel waar de gast zijn oordeel op baseert. Als de ervaring niet boven verwachting is, waarom zou je dan extra betalen?
Het idee van gelijkheid en ‘doe maar normaal’
In de Nederlandse cultuur is er ook een soort diepgeworteld gevoel van gelijkheid. Mensen willen niet overkomen als iemand die zich boven een ander plaatst door met geld te strooien. Fooi geven voelt voor sommigen bijna als ‘opscheppen’, of als iets dat je doet om indruk te maken.
Dat past niet bij de nuchtere Nederlandse mentaliteit. Doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg – en dus ook: betaal gewoon wat er op de bon staat, niet meer, niet minder.
Er wordt te weinig bewustwording gecreëerd
In tegenstelling tot andere landen wordt in Nederland nauwelijks gecommuniceerd waarom fooi belangrijk is voor horecamedewerkers.
Er hangen zelden bordjes met uitleg of vriendelijke bedankjes voor eventuele fooien. Sommige horecazaken maken er zelfs helemaal geen punt van. En als iets niet wordt benadrukt, dan verdwijnt het langzaam uit het systeem. Mensen denken er simpelweg niet aan, omdat het niet gestimuleerd wordt.
Nieuwe generaties denken anders over fooi
Generatie Z en Millennials kijken anders naar werk, loon en waardering dan oudere generaties. Ze vinden dat werkgevers hun personeel gewoon goed moeten betalen, zónder afhankelijkheid van fooi.
In hun ogen is het geven van fooi een achterhaald systeem dat problemen op de werkvloer maskeert. Bovendien staat het haaks op de roep om eerlijke lonen en goede arbeidsvoorwaarden.
Voor veel jongeren is fooi geven geen blijk van waardering meer, maar juist een manier waarop werkgevers hun verantwoordelijkheid afschuiven op de klant.
De rol van horeca zelf
Tot slot moeten we ook eerlijk zijn: sommige horecazaken werken het zelf in de hand. Als je op een terras hebt gezeten waar je zelf naar binnen moest lopen voor je drankje, waar niemand een glimlach kon opbrengen en waar je twintig minuten moest wachten op de rekening, dan is het niet zo vreemd dat je geen fooi geeft.
Goede service is een voorwaarde, geen vanzelfsprekendheid. En als die ontbreekt, valt er ook weinig te belonen.
Conclusie: fooi geven is in Nederland geen vanzelfsprekendheid – en dat is logisch
Fooi geven is in Nederland simpelweg geen standaardgewoonte, en daar zijn veel verschillende redenen voor.
Het zit niet in de cultuur, mensen weten niet wat gepast is, het is lastiger met pinnen, de service is soms matig, en het past niet bij onze ‘doe maar normaal’-houding. Tel daar de veranderende mentaliteit van jonge generaties bij op en je hebt het complete plaatje.
Wil je toch een verschil maken voor het horecapersoneel? Dan helpt zelfs een kleine fooi. Maar niemand zal raar opkijken als je het niet doet. In Nederland is het geven van fooi geen verplichting – en misschien is dat wel precies waarom we het zo weinig doen.