
Volgens Omtzigt ligt het percentage namelijk niet op 60, maar op 100 procent wanneer je kijkt naar de bevolkingsontwikkeling. Zijn redenering is dat er onder de bestaande Nederlandse bevolking inmiddels meer mensen overlijden dan er kinderen worden geboren. Zonder migratie zou het inwonertal daardoor krimpen.
Tijdens een uitzending van Dit is de Dag legt hij uit waarom dat volgens hem grote gevolgen heeft voor de plannen om nieuwe woningen te bouwen. Zijn uitspraken raken aan een gevoelig onderwerp: voor wie bouwen we eigenlijk al die nieuwe huizen?
Mis geen artikelen! Volg TrendyVandaag in Google →
Pieter Omtzigt trekt opvallende conclusie
Pieter Omtzigt heeft zich verdiept in de cijfers over bevolkingsgroei, migratie en de Nederlandse woningbouw. Daarbij keek hij niet alleen naar landelijke prognoses, maar ook naar de situatie in verschillende regio’s.
Aanleiding was een bericht van het Economisch Instituut voor de Bouw. Daarin werd gesteld dat migratie de komende tien jaar verantwoordelijk zou zijn voor ongeveer 60 procent van de woningvraag. Dat percentage zorgde voor veel discussie, omdat Nederland tegelijkertijd kampt met een groot tekort aan betaalbare woningen.
Omtzigt vindt dat er nog een andere manier is om naar deze cijfers te kijken. Volgens hem moet vooral worden gekeken naar de vraag waardoor de Nederlandse bevolking überhaupt nog groeit.
Daarbij wijst hij op een belangrijke ontwikkeling: er overlijden inmiddels meer mensen dan er kinderen worden geboren. De natuurlijke bevolkingsgroei is daarmee negatief geworden.
Volgens Omtzigt betekent dit dat de totale bevolkingsgroei volledig afhankelijk is van migratie. Vanuit die gedachte stelt hij dat niet 60 procent, maar 100 procent van de extra woningen samenhangt met migratie.
Nederlandse bevolking krimpt zonder migratie
De redenering van Omtzigt begint bij de manier waarop het inwonertal verandert. Bevolkingsgroei wordt bepaald door twee belangrijke factoren: het verschil tussen geboorten en sterfgevallen en het verschil tussen immigratie en emigratie.
Wanneer er meer kinderen worden geboren dan mensen overlijden, groeit de bevolking op natuurlijke wijze. Maar wanneer het aantal sterfgevallen hoger ligt dan het aantal geboorten, ontstaat juist natuurlijke krimp.
Volgens Omtzigt bevindt Nederland zich inmiddels in die laatste situatie. Zonder de komst van mensen uit het buitenland zou het totale aantal inwoners daardoor afnemen.
Dat betekent dat migratie een belangrijke rol speelt bij de vraag hoeveel inwoners Nederland in de toekomst heeft. Wanneer er meer mensen naar Nederland komen dan vertrekken, kan het inwonertal ondanks de natuurlijke krimp alsnog stijgen.
Toch is er een belangrijk onderscheid tussen bevolkingsgroei en woningvraag. Ook bij een gelijkblijvend of dalend inwonertal kunnen extra woningen nodig zijn, bijvoorbeeld doordat huishoudens kleiner worden of bestaande woningen moeten worden vervangen.
De uitspraak van Omtzigt moet daarom vooral worden gezien als zijn interpretatie van de bevolkingsontwikkeling. Dat 100 procent van de netto bevolkingsgroei door migratie ontstaat, betekent niet automatisch dat iedere nieuwbouwwoning daadwerkelijk door een migrant wordt bewoond.
EIB spreekt over 60 procent woningvraag
Het Economisch Instituut voor de Bouw kwam eerder met de conclusie dat migratie de komende tien jaar ongeveer 60 procent van de woningvraag kan verklaren. Dat is een andere berekening dan de redenering die Omtzigt gebruikt.
Het EIB kijkt naar de ontwikkeling van de woningbehoefte. Daarbij spelen niet alleen veranderingen in het aantal inwoners een rol, maar ook de manier waarop mensen samenleven.
Een land met evenveel inwoners kan bijvoorbeeld toch meer woningen nodig hebben wanneer het aantal eenpersoonshuishoudens stijgt. Ook wanneer jongeren langer zelfstandig blijven wonen of huishoudens uit elkaar gaan, verandert de vraag naar woningen.
Omtzigt kijkt juist naar de netto groei van de bevolking. Volgens hem ontstaat die groei volledig door migratie, omdat de natuurlijke bevolkingsontwikkeling negatief is.
Daardoor kunnen beide percentages naast elkaar bestaan zonder dat ze noodzakelijkerwijs hetzelfde meten. Het verschil zit vooral in de vraag die wordt gesteld.
Gaat het om de totale extra woningbehoefte, of om de oorzaak van de groei van het inwonertal? Dat onderscheid is belangrijk om de discussie over migratie en woningbouw goed te begrijpen.
Zuid-Limburg krimpt met duizenden inwoners
Om zijn standpunt te verduidelijken, verwijst Pieter Omtzigt naar de situatie in Zuid-Limburg. Volgens hem is daar goed zichtbaar hoe bevolkingskrimp en woningbouwplannen met elkaar kunnen botsen.
Tijdens Dit is de Dag vertelde hij dat Zuid-Limburg jaarlijks ongeveer 3.000 tot 3.500 inwoners verliest door de natuurlijke bevolkingsontwikkeling. Toch zijn er in de regio ambities om te groeien en nieuwe woningen te bouwen.
Dat roept volgens Omtzigt een belangrijke vraag op. Wanneer het aantal inwoners zonder migratie afneemt, wie gaan dan in de nieuwe woningen wonen?
Zijn antwoord is dat groei in zo’n regio afhankelijk wordt van mensen die van buiten de regio komen. Dat kunnen mensen uit andere delen van Nederland zijn, maar ook migranten uit het buitenland.
Omtzigt benadrukt daarmee dat gemeenten en provincies goed moeten nadenken over hun plannen voor bevolkingsgroei. Nieuwe woningen bouwen en tegelijkertijd meer inwoners willen aantrekken, heeft volgens hem gevolgen voor het migratiebeleid.
Het voorbeeld van Zuid-Limburg laat zien dat de woningmarkt niet overal in Nederland hetzelfde functioneert. Sommige regio’s hebben te maken met sterke groei, terwijl andere gebieden juist inwoners verliezen.
Ook Groningen speelt rol in discussie
Naast Limburg heeft Omtzigt zich verdiept in de situatie in Groningen. Ook daar zijn gebieden waar bevolkingskrimp een belangrijk onderwerp is.
Dat maakt de discussie over woningbouw ingewikkelder dan alleen de landelijke vraag hoeveel huizen Nederland tekortkomt. De behoefte aan woningen verschilt namelijk sterk per regio.
In grote steden en populaire woongebieden is vaak sprake van veel concurrentie tussen woningzoekenden. In andere delen van Nederland kan juist de vraag ontstaan hoe voorzieningen en woningen behouden blijven wanneer het inwonertal terugloopt.
Gemeenten die nieuwe woningen willen bouwen, moeten daarom rekening houden met de toekomstige bevolkingssamenstelling. Daarbij speelt niet alleen het aantal inwoners een rol, maar ook hun leeftijd, gezinssituatie en woonwensen.
Een regio waar relatief veel ouderen wonen, kan bijvoorbeeld behoefte hebben aan andere soorten woningen dan een gebied waar veel jonge gezinnen naartoe trekken.
Omtzigt gebruikt deze regionale verschillen om duidelijk te maken dat woningbouwbeleid volgens hem niet los kan worden gezien van bevolkingsontwikkeling en migratie.
Nieuwe woningen vragen volgens Omtzigt om migratiebeleid
Een van de belangrijkste punten die Omtzigt maakt, is dat Nederland volgens hem bewuster moet nadenken over de gewenste bevolkingsgroei.
Wanneer een regio wil groeien terwijl de natuurlijke bevolking krimpt, moet duidelijk zijn waar de nieuwe inwoners vandaan moeten komen. Volgens Omtzigt betekent dat dat migratiebeleid en woningbouwbeleid beter op elkaar moeten aansluiten.
Hij waarschuwt ervoor dat Nederland anders vooral reageert op ontwikkelingen die al plaatsvinden, in plaats van vooraf keuzes te maken.
“Je moet wel beleid hebben wat voor migratie je zou willen, anders laat je het je overkomen”, aldus Omtzigt.
Daarmee pleit hij voor een actievere rol van de overheid. Volgens hem moet niet alleen worden gekeken hoeveel woningen er gebouwd kunnen worden, maar ook welke bevolkingsontwikkeling Nederland wenselijk vindt.
Dat is een andere benadering dan uitsluitend proberen om het bestaande woningtekort zo snel mogelijk weg te werken.
Zijn opmerkingen raken bovendien aan een bredere discussie over de vraag hoeveel inwoners Nederland in de toekomst kan en wil huisvesten.
Arbeidsmigranten blijven belangrijk voor Nederland
Een groot deel van de migratie naar Nederland bestaat uit mensen die hier komen werken. Arbeidsmigranten spelen in verschillende sectoren een belangrijke rol en helpen bedrijven om personeelstekorten op te vangen.
Nederland heeft al langere tijd te maken met vacatures die moeilijk kunnen worden ingevuld. Werkgevers zoeken daarom regelmatig naar werknemers uit het buitenland.
Volgens Omtzigt ligt het voor de hand dat een deel van de toekomstige migratie uit arbeidsmigranten zal bestaan. Zeker wanneer regio’s nieuwe inwoners willen aantrekken en tegelijkertijd behoefte hebben aan extra personeel.
Daarbij ontstaat echter een ingewikkelde situatie. Arbeidsmigranten kunnen helpen om personeelstekorten op te lossen, maar hebben zelf ook woonruimte nodig.
Wanneer bedrijven buitenlandse werknemers aantrekken, kan daardoor de vraag naar woningen toenemen. Tegelijkertijd zijn arbeidskrachten ook nodig voor werkzaamheden die belangrijk zijn voor de Nederlandse economie.
De uitdaging is volgens Omtzigt dan ook om bewuste keuzes te maken over welke arbeidsmigratie Nederland nodig heeft.
Dat vraagt om een bredere afweging dan alleen de vraag of een bedrijf op dit moment voldoende werknemers kan vinden.
Steeds minder Polen komen naar Nederland
Jarenlang vormden Poolse arbeidsmigranten een belangrijke groep buitenlandse werknemers in Nederland. Veel bedrijven maakten gebruik van arbeidskrachten uit Polen om personeelstekorten op te vangen.
Maar die situatie verandert. Volgens de aangehaalde informatie keren inmiddels meer Polen terug naar hun eigen land dan er vanuit Polen naar Nederland vertrekken.
Een belangrijke verklaring daarvoor is de economische ontwikkeling van Polen. De arbeidsmarkt en economische mogelijkheden zijn daar de afgelopen jaren verbeterd, waardoor werken in Nederland voor sommige Poolse werknemers minder aantrekkelijk is geworden.
Dat betekent dat Nederlandse werkgevers mogelijk vaker naar andere landen moeten kijken om personeel te vinden.
Volgens Omtzigt kan dat ertoe leiden dat arbeidsmigratie van buiten de Europese Unie belangrijker wordt. Juist daarbij vindt hij het noodzakelijk dat Nederland vooraf duidelijke keuzes maakt.
Welke werknemers zijn nodig? Voor welke sectoren? En welke gevolgen heeft hun komst voor huisvesting en andere voorzieningen?
Dat zijn volgens zijn redenering vragen die niet pas moeten worden gesteld wanneer nieuwe werknemers al naar Nederland zijn gekomen.
Omtzigt wil duidelijke keuzes over arbeidsmigratie
Pieter Omtzigt benadrukt dat Nederland mogelijkheden heeft om beleid te voeren op arbeidsmigratie van buiten de Europese Unie.
Binnen de Europese Unie geldt het vrije verkeer van werknemers. Daardoor kunnen EU-burgers onder de daarvoor geldende regels in andere lidstaten werken.
Voor arbeidsmigranten van buiten de EU gelden andere toelatingsvoorwaarden. Dat biedt de overheid meer mogelijkheden om eisen te stellen aan bepaalde vormen van arbeidsmigratie.
Volgens Omtzigt moet Nederland die mogelijkheden bewust gebruiken. Hij vindt dat er vooraf moet worden nagedacht over welke mensen het land wil aantrekken en waarom.
Daarbij gaat het niet alleen om de economische voordelen van nieuwe werknemers. Ook de gevolgen voor de woningmarkt en de bevolkingsontwikkeling verdienen volgens hem aandacht.
Een belangrijk punt in zijn verhaal is dat migratie niet uitsluitend iets moet zijn wat Nederland overkomt. De overheid moet volgens hem zelf richting geven aan de ontwikkelingen.
Dat betekent overigens niet dat alle vormen van migratie op dezelfde manier kunnen worden geregeld. Voor verschillende groepen gelden verschillende wetten en internationale afspraken.
Asielmigratie vormt kleiner deel van totale migratie
In discussies over migratie gaat de aandacht vaak naar asielzoekers en statushouders. Toch vormen zij volgens de aangeleverde cijfers slechts een beperkt deel van de totale migratie naar Nederland.
Het aandeel asielmigratie wordt daarin geschat op ongeveer 10 tot 15 procent. Het grootste deel van de migratie bestaat dus uit andere groepen, waaronder mensen die voor werk, studie of familie naar Nederland komen.
Dat onderscheid is belangrijk wanneer wordt gesproken over de invloed van migratie op de woningmarkt.
Arbeidsmigranten, internationale studenten en statushouders hebben namelijk niet allemaal dezelfde woonbehoeften. Ook de manier waarop zij huisvesting vinden, verschilt.
Sommige arbeidsmigranten verblijven tijdelijk in Nederland, terwijl anderen zich hier voor langere tijd vestigen. Internationale studenten zoeken vaak kamers of andere studentenhuisvesting. Statushouders hebben na het verkrijgen van een verblijfsvergunning eveneens woonruimte nodig.
Wanneer al deze groepen onder één algemene noemer worden geplaatst, kunnen belangrijke verschillen verloren gaan.
Omtzigt richt zich in zijn verhaal daarom nadrukkelijk ook op arbeidsmigratie en de gevolgen daarvan voor de bevolkingsgroei.
Woningtekort verdwijnt niet automatisch zonder migratie
Hoewel Omtzigt stelt dat de netto bevolkingsgroei volledig door migratie ontstaat, betekent dat niet dat het Nederlandse woningtekort zonder migratie onmiddellijk zou verdwijnen.
Er bestaat immers al een tekort aan beschikbare woningen. Veel starters zoeken naar een betaalbaar huis, terwijl ook andere huishoudens moeite hebben om geschikte woonruimte te vinden.
Daarnaast verandert de samenstelling van de bevolking. Wanneer huishoudens kleiner worden, kunnen er zelfs bij een gelijkblijvend inwonertal meer woningen nodig zijn.
Ook regionale verschillen spelen een rol. Een woning die beschikbaar komt in een krimpgebied is niet automatisch een oplossing voor iemand die vanwege werk of familie in een andere regio moet wonen.
Verder bestaat de woningbehoefte niet uitsluitend uit het toevoegen van nieuwe huizen. Bestaande woningen moeten soms worden vervangen, aangepast of geschikt gemaakt voor andere doelgroepen.
Daarom is het belangrijk om de uitspraak van Omtzigt niet te verwarren met de conclusie dat alle nieuwbouwwoningen letterlijk voor migranten bestemd zijn.
Zijn punt draait om de relatie tussen migratie en de groei van de totale bevolking, terwijl de woningmarkt door meerdere ontwikkelingen wordt beïnvloed.
Discussie over woningbouw krijgt nieuwe wending
Met zijn uitspraken brengt Pieter Omtzigt een andere invalshoek in de discussie over het Nederlandse woningtekort.
Waar het EIB stelt dat migratie ongeveer 60 procent van de toekomstige woningvraag kan verklaren, kijkt Omtzigt naar de natuurlijke bevolkingsontwikkeling. Omdat er meer mensen overlijden dan worden geboren, is migratie volgens hem verantwoordelijk voor de volledige netto bevolkingsgroei.
Dat verschil in benadering leidt tot een opvallende conclusie, maar maakt ook duidelijk hoe belangrijk het is om zorgvuldig met percentages om te gaan.
De uitspraak dat 100 procent van de bevolkingsgroei door migratie komt, is namelijk iets anders dan zeggen dat iedere nieuwe woning uitsluitend voor een migrant wordt gebouwd.
Toch raakt Omtzigt met zijn opmerkingen aan een wezenlijke beleidsvraag. Wanneer Nederland nieuwe woningen bouwt om toekomstige groei op te vangen, moet volgens hem ook duidelijk zijn welke bevolkingsontwikkeling daarbij wordt verwacht.
Vooral in regio’s waar de natuurlijke bevolking krimpt, kan die vraag een belangrijke rol spelen bij plannen voor nieuwe woonwijken en economische groei.
Omtzigt wil meer grip op bevolkingsgroei
De kern van het verhaal van Pieter Omtzigt is uiteindelijk dat Nederland volgens hem bewuster moet omgaan met migratie en de gevolgen daarvan voor de woningmarkt.
Hij vindt dat overheden niet alleen moeten nadenken over hoeveel huizen er gebouwd moeten worden, maar ook over de vraag hoeveel inwoners er in de toekomst verwacht worden en waar die mensen vandaan komen.
Daarbij wijst hij op de veranderende arbeidsmigratie. Nu Polen minder vaak naar Nederland komen en sommige werknemers terugkeren, kunnen werkgevers vaker afhankelijk worden van andere landen.
Volgens Omtzigt biedt dat aanleiding om duidelijker beleid te maken, vooral wanneer het gaat om arbeidsmigranten van buiten de Europese Unie.
Tegelijkertijd blijft de bestaande woningnood een probleem dat niet zomaar verdwijnt. Ook zonder verdere bevolkingsgroei zijn er woningen nodig voor mensen die nu al op zoek zijn naar geschikte huisvesting.
De discussie zal daarom niet alleen moeten gaan over het aantal migranten, maar ook over de bouw van betaalbare woningen, regionale verschillen en de veranderende samenstelling van huishoudens.
Met zijn opvallende uitspraak over 100 procent van de nieuwe woningen heeft Omtzigt in ieder geval opnieuw de aandacht gevestigd op de relatie tussen migratie en woningbouw. Of zijn benadering uiteindelijk tot andere beleidskeuzes leidt, moet nog blijken. Wel maakt zijn verhaal duidelijk dat de toekomst van de Nederlandse woningmarkt nauw verbonden is met de vraag hoe de bevolking zich de komende jaren ontwikkelt.











