Wie denkt een flitspaal te slim af te zijn door vlak ervoor stevig te remmen en daarna weer gas te geven, kan alsnog bedrogen uitkomen.

Dat ondervond een automobilist op de Capelseweg. Tijdens een regenachtige avond reed de bestuurder volgens de politie bijna 100 kilometer per uur, remde af in de buurt van een flitspaal en verhoogde daarna opnieuw de snelheid. De flitspaal leverde misschien geen probleem op, maar de politie reed achter de auto en bleef de snelheid volgen.
Het incident laat zien waarom alleen afremmen bij een bekende flitspaal weinig zin heeft. Snelheidscontroles vinden namelijk op verschillende manieren plaats.
Bovendien kan opvallend rijgedrag ervoor zorgen dat een bestuurder alsnog de aandacht van agenten trekt. Wie een verkeersboete wil voorkomen, heeft uiteindelijk veel meer aan één eenvoudige aanpak: de geldende maximumsnelheid aanhouden.
Mis geen artikelen! Volg TrendyVandaag in Google →
Bestuurder remt voor flitspaal
De automobilist reed over de Capelseweg terwijl het flink regende. Volgens de beschreven situatie liep de snelheid op tot bijna 100 kilometer per uur. Bij het naderen van een flitspaal veranderde dat plotseling.
De bestuurder ging in de remmen en passeerde de controle met een lagere snelheid. Daarna ging het gaspedaal opnieuw verder naar beneden en werd op de Bermweg weer richting de 100 kilometer per uur gereden.
Op het eerste gezicht lijkt dat misschien een manier om een flits te voorkomen. Er was alleen één probleem: achter de auto reden agenten die het rijgedrag hadden gezien.
De politie was daardoor niet afhankelijk van die ene flitspaal. De snelheid werd vanuit de politieauto gevolgd, waarna uiteindelijk een proces-verbaal werd opgemaakt voor te hard rijden.
Remmen voor flitspaal helpt niet altijd
Het principe achter plotseling remmen voor een flitspaal is eenvoudig. Een vaste flitspaal controleert het verkeer op een bepaalde plek. Een bestuurder die precies weet waar zo’n controle staat, kan ervoor kiezen daar tijdelijk langzamer te rijden.
Daarmee verdwijnt het echte probleem natuurlijk niet. Zodra de snelheid na de flitspaal opnieuw wordt verhoogd, kan een andere vorm van controle alsnog een overtreding vastleggen.
In dit geval waren het agenten die achter de automobilist reden. Zij zagen niet alleen de snelheid, maar ook het patroon: hard rijden, afremmen en vervolgens opnieuw versnellen.
Dat maakt duidelijk waarom het onverstandig is om uitsluitend op bekende flitspalen te letten. Niet iedere snelheidscontrole staat immers permanent langs de weg.
Politie kan snelheid blijven meten
Een flitspaal is slechts één van de middelen waarmee snelheid kan worden gecontroleerd. Daarnaast bestaan er trajectcontroles, mobiele controles en metingen vanuit politievoertuigen.
Bij een trajectcontrole draait het bijvoorbeeld niet om de snelheid op één specifiek punt. Daar wordt gekeken naar de gemiddelde snelheid over een langer gedeelte van de weg.
Even remmen en daarna weer versnellen heeft dan veel minder effect. Een gemiddelde snelheid die te hoog uitvalt, kan alsnog tot een boete leiden.
Ook agenten kunnen verkeersgedrag gedurende een langere periode waarnemen. Daardoor kan juist het snelheidsverschil voor en na een bekende controleplek extra opvallen.
Regen maakte situatie extra opvallend
Bij het incident speelde nog iets mee: het regende stevig. Juist onder dergelijke omstandigheden is snelheid extra belangrijk.
Regen kan het zicht verminderen en het wegdek gladder maken. Daardoor kan meer afstand nodig zijn om veilig tot stilstand te komen. Een hoge snelheid kan de beschikbare reactietijd verder verkleinen.
De maximumsnelheid is bovendien een bovengrens. Dat betekent niet automatisch dat die snelheid onder iedere omstandigheid verstandig is.
Bij slecht zicht, hevige regen of grote verkeersdrukte kan het nodig zijn om langzamer te rijden. De omstandigheden op de weg blijven uiteindelijk bepalend voor wat veilig is.
Trajectcontrole werkt heel anders
Veel automobilisten herkennen een vaste flitspaal snel. Bij trajectcontroles ligt dat anders. Daar wordt de snelheid over een bepaald traject bekeken.
Dat betekent dat één kort moment van langzaam rijden niet voldoende is wanneer de gemiddelde snelheid over de rest van het traject te hoog ligt.
Juist daardoor is het klassieke afremmen bij één specifieke plek geen betrouwbare manier om een boete te voorkomen.
Ook mobiele controles maken het lastiger om precies te voorspellen waar de snelheid wordt gemeten. Een controle hoeft immers niet iedere dag op dezelfde plaats te staan.
Wie alleen bij bekende controlepunten op de snelheidsmeter kijkt, kan daarom alsnog worden verrast.
Snelheidsmeter blijft belangrijkste hulpmiddel
De eenvoudigste manier om te weten hoe hard een auto rijdt, zit gewoon recht voor de bestuurder: de snelheidsmeter.
Toch kan de snelheid ongemerkt oplopen. Dat gebeurt bijvoorbeeld na het verlaten van een bocht, tijdens het inhalen of wanneer andere weggebruikers sneller beginnen te rijden.
Regelmatig naar de snelheidsmeter kijken voorkomt dat de snelheid langzaam steeds verder stijgt. Vooral op wegen waar verschillende maximumsnelheden kort na elkaar gelden, is dat belangrijk.
Veel moderne auto’s beschikken daarnaast over cruisecontrol of een snelheidsbegrenzer. Zulke systemen kunnen helpen om een gekozen snelheid vast te houden.
Ze nemen de verantwoordelijkheid van de bestuurder echter niet over. Verkeersborden, tijdelijke situaties en veranderende omstandigheden blijven aandacht vragen.
Verkeersborden bepalen de maximumsnelheid
Een belangrijke stap is daarom simpelweg goed blijven letten op verkeersborden. De maximumsnelheid kan per weg verschillen en onderweg veranderen.
Dat gebeurt bijvoorbeeld bij werkzaamheden of wanneer een bestuurder vanuit een doorgaande weg een andere zone binnenrijdt.
Ook matrixborden kunnen informatie geven die op dat moment van belang is. Wie op automatische piloot dezelfde snelheid blijft rijden, kan daardoor een wijziging missen.
Het helpt om na iedere duidelijke verandering van wegtype opnieuw te controleren welke snelheid geldt. Zo voorkom je dat je onbewust met de snelheid van het vorige weggedeelte blijft rijden.
Correctiemarge is geen extra snelheid
Rond snelheidscontroles bestaat vaak discussie over meetcorrecties. Bestuurders rekenen soms bewust met een bepaalde marge en behandelen die alsof ze daardoor iets harder mogen rijden.
Dat is niet de bedoeling van een meetcorrectie. Zo’n correctie is bedoeld om rekening te houden met mogelijke afwijkingen bij een meting.
Het is daarom onverstandig om een eventuele correctie vooraf als extra snelheidsruimte bij de maximumsnelheid op te tellen.
Ook de snelheidsmeter van een auto kan iets anders aangeven dan de daadwerkelijke snelheid. Dat maakt bewust gokken op een bepaalde marge alleen maar onnodig ingewikkeld.
Wie onder of op de toegestane maximumsnelheid blijft, hoeft die rekensom helemaal niet te maken.
Hard rijden levert weinig tijdwinst
Een ander opvallend punt is hoeveel tijd hard rijden daadwerkelijk oplevert. Zeker op kortere ritten kan de winst behoorlijk tegenvallen.
Een paar minuten sneller rijden betekent niet automatisch dat je ook zoveel eerder op de bestemming aankomt. Stoplichten, rotondes, kruispunten en ander verkeer kunnen een groot deel van die winst weer laten verdwijnen.
Daar staat tegenover dat een snelheidsovertreding wel financiële gevolgen kan hebben. Hoe groter de overtreding, hoe serieuzer de gevolgen kunnen worden.
Daarmee kan een poging om enkele minuten te besparen uiteindelijk juist veel meer tijd en geld kosten.
Cruisecontrol kan snelheid beter bewaken
Voor automobilisten die merken dat hun snelheid ongemerkt oploopt, kan cruisecontrol handig zijn. Op een rustige weg kan daarmee een constante snelheid worden aangehouden.
Ook een snelheidsbegrenzer kan voorkomen dat de auto gemakkelijk boven een ingestelde snelheid uitkomt.
Toch blijven dit hulpmiddelen. Een bestuurder moet zelf blijven opletten en ingrijpen wanneer de situatie daarom vraagt.
Bij regen, druk verkeer of een onverwachte situatie kan een lagere snelheid nodig zijn. Een ingestelde snelheid mag daarom nooit belangrijker worden dan wat er daadwerkelijk op de weg gebeurt.
De enige betrouwbare flitspaaltruc
Daarmee blijft uiteindelijk één opvallend simpele conclusie over. Er bestaat inderdaad een manier om te voorkomen dat je wegens te hard rijden wordt geflitst: niet harder rijden dan toegestaan.
Geen ingewikkelde trucs, plotselinge remacties of berekeningen met marges zijn daarvoor nodig.
Controleer de verkeersborden, kijk regelmatig naar de snelheidsmeter en pas de snelheid aan wanneer de situatie verandert. Dat werkt niet alleen bij een vaste flitspaal, maar ook bij een trajectcontrole of mobiele snelheidscontrole.
Bovendien voorkom je daarmee het opvallende rijgedrag dat bij de automobilist op de Capelseweg juist de aandacht trok.
Flitspaal was niet het probleem
Het verhaal van de bestuurder laat vooral zien hoe beperkt het nut is van alleen opletten wanneer een bekende flitspaal in zicht komt.
De automobilist remde op het juiste moment voor de paal, maar werd ondertussen door agenten gevolgd. Nadat de snelheid daarna opnieuw opliep, kwam er alsnog een proces-verbaal.
Wie alleen probeert één controlepunt te ontwijken, weet immers nooit welke andere vorm van toezicht er verderop plaatsvindt.
De meest effectieve aanpak is daardoor tegelijkertijd de minst spectaculaire. Houd de verkeersborden in de gaten, controleer de snelheidsmeter en pas de snelheid aan de omstandigheden aan. Dan maakt het uiteindelijk weinig uit hoeveel flitspalen, trajectcontroles of politievoertuigen er onderweg staan.











