Jarenlang werd de Nederlandse landbouw aangewezen als een van de hoofdveroorzakers van stikstofvervuiling in het oppervlaktewater.

Beleidsmaatregelen, kaarten en extra regels voor boeren waren grotendeels gebaseerd op dat uitgangspunt.
Nieuwe cijfers laten nu echter een heel ander beeld zien. Uit herberekeningen blijkt dat het aandeel van de landbouw in veel regio’s aanzienlijk lager ligt dan jarenlang werd aangenomen.
De nieuwe analyse zorgt voor veel discussie, omdat ze vragen oproept over de basis van het gevoerde beleid. Hoe kan het dat jarenlang met cijfers is gewerkt die nu zo sterk worden bijgesteld?
En wat betekent dit voor boeren die al jaren te maken hebben met steeds strengere regels?
Nieuwe analyse ondermijnt oude aannames
De herberekeningen zijn gepubliceerd door Agrifacts, een stichting die zich richt op feiten en data rondom landbouw en milieu. In de analyse zijn recentere meetgegevens gebruikt en zijn rekenmodellen aangepast aan nieuwe inzichten.
Waar eerdere berekeningen waren gebaseerd op data uit de periode 2010 tot 2013, is nu gekeken naar cijfers uit de jaren 2017 tot en met 2022.
Dat verschil blijkt groot. De conclusie: het aandeel van de landbouw in de stikstofbelasting van oppervlaktewater is in veel gebieden fors overschat.
Volgens de nieuwe cijfers is het gemiddelde aandeel van landbouwbemesting ongeveer gehalveerd. In plaats van bijna 40 procent ligt dit nu rond de 20 procent.
Beleidskaarten jarenlang leidend
Eind 2023 presenteerde het ministerie van Landbouw een kaart met zogenoemde nutriënten-verontreinigde gebieden, de NV-gebieden.
Grote delen van Nederland werden daarop aangewezen als probleemgebied, met directe gevolgen voor boeren. Extra bufferstroken, beperkingen op mestgebruik en strengere controles volgden.
De kritiek kwam snel. Boerenorganisaties en waterschappen wezen erop dat de kaart grotendeels was gebaseerd op verouderde aannames. Toch bleef de kaart leidend in beleid en handhaving.
Met de nieuwe cijfers wordt die kritiek opnieuw onderstreept. Gebieden die jarenlang als zwaar vervuild golden, blijken volgens de herberekening ineens veel minder problematisch.
Regionale verschillen zijn enorm
In sommige provincies is het verschil tussen oude en nieuwe cijfers opvallend groot. In Limburg werd bijvoorbeeld aangenomen dat ongeveer 15 procent van de stikstof in het oppervlaktewater afkomstig was van landbouw.
Volgens de nieuwe berekening ligt dat aandeel rond de 4 procent. In delen van Zuid-Limburg zelfs nog lager.
Ook in andere regio’s verdwijnen hele landbouwbijdragen vrijwel volledig van de kaart. Gebieden die eerder werden aangemerkt als NV-gebied, voldoen op basis van de nieuwe cijfers ineens wel aan de normen.
Dit roept de vraag op hoeveel maatregelen daadwerkelijk effect hebben gehad, en hoeveel gebaseerd waren op onjuiste aannames.
Buitenlandse aanvoer blijkt veel belangrijker
Een van de belangrijkste verklaringen voor de correctie ligt bij de herkomst van stikstof. Water dat Nederland binnenkomt via grote rivieren, Rijkswateren en bovenstroomse gebieden bevat veel meer stikstof dan jarenlang werd aangenomen.
Volgens de nieuwe analyse komt inmiddels zo’n 75 tot 80 procent van de stikstofbelasting uit buitenlandse of bovenstroomse bronnen.
Eerder werd dat aandeel geschat op ongeveer 65 tot 70 procent. Daarmee zijn deze externe bronnen veruit de grootste factor.
Dit betekent dat een groot deel van de stikstofvervuiling buiten de invloedssfeer van Nederlandse boeren ligt.
Kwel jarenlang verkeerd toegerekend
Ook natuurlijke processen blijken een grotere rol te spelen dan gedacht. Een belangrijk voorbeeld is kwel: water dat vanuit diepere grondlagen omhoogkomt en stikstof bevat.
In eerdere modellen werd stikstof uit kwel vaak automatisch toegeschreven aan landbouwactiviteiten. Nader onderzoek laat zien dat dit in veel gevallen onterecht was.
Meerdere waterschappen, waaronder Amstel, Gooi en Vecht, Rijnland en Zuiderzeeland, hebben dit inmiddels bevestigd.
Na toepassing van zogenoemde kwelcorrecties konden verschillende NV-gebieden van de kaart worden gehaald. In andere regio’s is deze correctie nog niet uitgevoerd, wat betekent dat verdere aanpassingen mogelijk volgen.
Waterschappen meten niet allemaal hetzelfde
Een extra complicatie is dat waterschappen verschillende beoordelingsmethoden gebruiken.
Zo is waterschap Scheldestromen overgestapt op de Europese methode, waarbij niet afzonderlijk naar stikstof en fosfor wordt gekeken, maar naar het risico op eutrofiëring.
Dat risico ontstaat pas wanneer beide nutriënten in hoge concentraties aanwezig zijn. Is één van beide beperkt, dan kan het water alsnog voldoen aan de norm. Andere waterschappen hanteren nog steeds afzonderlijke normen, wat leidt tot uiteenlopende beoordelingen bij vergelijkbare waterkwaliteit.
Dit verschil in aanpak zorgt voor onduidelijkheid en draagt bij aan het gevoel van willekeur in het beleid.
Verouderde cijfers blijven invloed houden
Opvallend is dat in sommige gebieden nog steeds wordt gewerkt met extreem oude gegevens. Zo wordt bij sloten soms uitgegaan van schattingen over mestaanvoer uit 2008. Sindsdien zijn bufferstroken ingevoerd en is het mestgebruik afgenomen.
Wageningen University & Research schat de onzekerheid van deze bron inmiddels op 100 procent. Toch blijven deze cijfers meetellen in beleidsbesluiten en handhaving.
Dat leidt tot frustratie in de sector, omdat maatregelen worden opgelegd op basis van aannames die mogelijk niet meer kloppen.
Nieuwe kaarten, maar dezelfde kleur?
Landbouwminister Femke Wiersma komt begin volgend jaar met een nieuwe kaart voor aandachtsgebieden, die de oude NV-kaart moet vervangen. Voor deze kaart is de recente bronnenanalyse gebruikt.
Toch valt op dat veel gebieden nog steeds vrijwel even rood kleuren als voorheen. Dat roept vragen op. Als het aandeel van de landbouw aantoonbaar lager ligt, waarom blijven dezelfde gebieden dan probleemzones?
Bovendien zijn recente maatregelen, zoals de afbouw van de derogatie en verplichte bufferstroken sinds 2023, nog niet meegenomen in de cijfers. Het daadwerkelijke effect van deze maatregelen is dus nog onbekend.
Conclusie: tijd voor herziening van het stikstofbeleid
Het nieuwe onderzoek zet het stikstofverhaal rond de landbouw in een ander licht. Jarenlang beleid blijkt gebaseerd op aannames die nu deels worden ontkracht.
Dat betekent niet dat waterkwaliteit geen probleem is, maar wel dat de rol van de landbouw genuanceerder ligt dan lange tijd is voorgesteld.
De cijfers roepen vragen op over proportionaliteit, onderbouwing en transparantie van het beleid. Voor veel boeren voelt het alsof ze jarenlang zijn afgerekend op een probleem dat minder groot blijkt dan werd beweerd.
De komende periode zal moeten uitwijzen of deze nieuwe inzichten daadwerkelijk leiden tot aanpassing van regels en maatregelen.
Eén ding is duidelijk: het debat over stikstof en landbouw is hiermee nog lang niet afgerond.





