Voor Miranda is het geen nieuw fenomeen. Ze groeit op in een familie waar het glas altijd halfvol is, maar zodra ze buiten die bubbel treedt, wordt ze geconfronteerd met de Nederlandse moppercultuur.
“Op mijn werk, in de supermarkt, bij de kapper – overal hoor ik mensen klagen. ‘Het leven is duur, het verkeer is een ramp, het ziekenhuispersoneel is te langzaam.’ Ik bedoel, serieus? Hebben we echt niks beters te doen?”
Wat haar nog het meeste stoort, is dat mensen niet lijken te beseffen hoe goed ze het eigenlijk hebben. “Ik heb een tijdje vrijwilligerswerk gedaan in het buitenland.
Daar zag ik pas écht wat armoede en ellende is. Mensen die geen toegang hebben tot zorg, die in krotten wonen, die elke dag moeten vechten om eten op tafel te krijgen. En dan kom ik hier en hoor ik mensen klagen over een pakketje dat een dag te laat is. Dat voelt zo absurd.”
“Het is alsof klagen hier een nationale sport is”
Volgens Miranda is het in Nederland bijna een gewoonte geworden om negatief te zijn. “Het is alsof we collectief hebben besloten dat je pas een goed gesprek hebt als je iets te zeuren hebt.
Niemand zegt gewoon: ‘Wat een mooie dag, hè?’ Nee, het is altijd: ‘Ja, maar morgen gaat het weer regenen.’”
Ze lacht als ze een recente ervaring deelt. “Ik stond laatst bij de bakker en hoorde twee dames praten. ‘Nou, de prijzen hier zijn echt niet normaal meer!’ zei de ene.
De ander knikte en zei: ‘Ja, schandalig gewoon. Maar ja, wat doe je eraan?’ Ondertussen stonden ze in een warme bakkerij, met versgebakken brood voor hun neus, in een land waar we überhaupt de luxe hebben om over broodprijzen te praten. Ik dacht echt: jongens, kijk even om je heen.”
“Het maakt mensen ongelukkig”
Wat Miranda het meest frustreert, is dat al dat geklaag nergens toe leidt. “Mensen worden er niet gelukkiger van. Sterker nog, ik denk dat het ze juist ongelukkiger maakt. Hoe meer je focust op alles wat tegenzit, hoe ellendiger je je voelt.”
Ze merkt het ook bij vrienden. “Ik ken iemand die altijd maar bezig is met wat er misgaat in de wereld. ‘De overheid is corrupt, de huizenmarkt is verziekt, alles wordt duurder.’
Hij kan nergens meer van genieten. Zelfs als hij op vakantie gaat, klaagt hij over de drukte op het vliegveld of de toeristen op zijn bestemming. Ik vraag me dan af: waarom doe je jezelf dit aan?”
Volgens haar zou het een wereld van verschil maken als mensen wat meer waardering zouden tonen voor wat ze wél hebben. “We hebben een dak boven ons hoofd, schoon drinkwater, gezondheidszorg, vrijheid. Maar nee, we focussen op de files en de wachttijden bij de dokter. Dat is toch zonde?”
“Iedereen denkt het, maar niemand zegt het”
Miranda weet dat ze met haar mening niet altijd in goede aarde valt. “Als ik dit zeg tegen mensen, kijken ze me aan alsof ik gek ben. ‘Ja maar, het ís toch ook allemaal duurder geworden?’ of ‘Je mag toch wel een mening hebben?’ Natuurlijk mag dat. Maar moet echt alles negatief zijn?”
Ze denkt dat veel mensen diep van binnen hetzelfde voelen als zij. “Ik weet zeker dat ik niet de enige ben die zich hieraan stoort. Mensen hebben alleen geen zin om het hardop te zeggen, omdat ze dan ‘naïef’ of ‘te positief’ worden genoemd.”
Toch weigert ze mee te doen aan de klaagcultuur. “Ik heb een keuze. Ik kan meedoen met het gezeur, of ik kan besluiten om te focussen op de dingen die wél goed gaan. En geloof me, dat maakt het leven een stuk leuker.”
“We mogen best wat dankbaarder zijn”
Miranda haalt diep adem en schudt haar hoofd. “Ik zeg niet dat mensen nooit mogen klagen. Natuurlijk, als je iets naars meemaakt of ergens echt last van hebt, moet je dat kunnen uiten. Maar dat constante gemopper over kleine dingen, dat is nergens voor nodig.”
Ze zou willen dat Nederlanders wat meer stilstaan bij de goede dingen in het leven. “Kijk eens om je heen. We hebben zoveel om dankbaar voor te zijn.
Een land waar vrijheid en kansen voorop staan. Waar je, hoe lastig het soms ook is, alsnog kunt bouwen aan een toekomst. Waar je in een restaurant je drinken krijgt met ijsblokjes en niemand zich afvraagt of het water veilig is.”
Met een grijns voegt ze eraan toe: “Maar goed, als ik dit zeg, hoor ik straks wel weer iemand klagen dat het ijs te snel smelt.”