Het westnijlvirus blijft voor onrust zorgen in Nederland. Er zijn twaalf nieuwe besmettingen geregistreerd en vier mensen zijn na een infectie overleden. Daarmee komt het totale aantal gemelde besmettingen in Nederland inmiddels op 56.

Hoewel het RIVM verwacht dat de uitbraak over de piek heen is, blijft het virus aanwezig en worden ook bij paarden nog altijd nieuwe gevallen ontdekt.
De besmettingen zijn verspreid over meerdere provincies vastgesteld, waarbij vooral Zuid-Holland opvalt.
Het virus wordt via muggen overgedragen en veroorzaakt bij de meeste besmette mensen weinig tot geen problemen. Toch kan een infectie in uitzonderlijke gevallen ernstig verlopen.
Mis geen artikelen! Volg TrendyVandaag in Google →
Vier mensen overleden na besmetting
Het RIVM heeft twaalf nieuwe besmettingen met het westnijlvirus geregistreerd. Vier mensen zijn na een besmetting overleden. Door de nieuwe meldingen staat het totale aantal geregistreerde besmettingen in Nederland op 56.
Alle gemelde patiënten raakten volgens het RIVM besmet door de beet van een geïnfecteerde mug. Het virus verspreidt zich niet rechtstreeks van mens op mens.
Dat maakt muggen een belangrijke schakel in de verspreiding. Een mug kan het virus oppikken wanneer deze een besmette vogel steekt en het vervolgens bij een volgende beet overdragen.
56 besmettingen in Nederland gemeld
De besmettingen met het westnijlvirus zijn niet gelijkmatig over Nederland verdeeld. Zuid-Holland telt met 32 gemelde besmettingen verreweg de meeste gevallen.
In Utrecht zijn twaalf infecties geregistreerd. Noord-Holland telt vijf besmettingen en Noord-Brabant vier. In Gelderland gaat het om twee gevallen en in Overijssel is één besmetting gemeld.
Daarmee lijkt de grootste concentratie momenteel in het westen en midden van Nederland te liggen. De cijfers geven aan waar bevestigde besmettingen zijn vastgesteld en betekenen niet dat het virus uitsluitend in deze gebieden voorkomt.
RIVM verwacht daling besmettingen
Er is tegelijkertijd een voorzichtig positief signaal. Het RIVM verwacht dat de uitbraak van het westnijlvirus inmiddels over haar piek heen is.
De reden daarvoor is dat het aantal nieuwe infecties de afgelopen weken is afgenomen. Dat kan erop wijzen dat de periode waarin de meeste besmettingen plaatsvinden achter de rug is.
Dat betekent echter niet dat er helemaal geen nieuwe gevallen meer kunnen bijkomen. Het virus circuleert nog en besmette muggen kunnen mensen blijven steken zolang de omstandigheden daarvoor gunstig zijn.
Zo wordt het westnijlvirus verspreid
Het westnijlvirus komt van nature vooral bij vogels voor. Vogels vormen daarmee een belangrijk onderdeel van de cyclus waarin het virus blijft circuleren.
Wanneer een mug een vogel steekt die het westnijlvirus bij zich draagt, kan de mug zelf geïnfecteerd raken. Vervolgens kan diezelfde mug het virus tijdens een volgende beet overdragen op een mens of ander zoogdier.
Mensen kunnen het virus dus oplopen zonder zelf contact met een besmette vogel te hebben gehad. Een beet van een geïnfecteerde mug is voldoende.
Van mens op mens verspreidt het westnijlvirus zich volgens het RIVM niet. Iemand die besmet is, vormt daardoor bij normaal contact geen besmettingsgevaar voor familieleden, collega’s of andere mensen in de omgeving.
Meeste mensen worden niet ernstig ziek
Hoewel de nieuwe sterfgevallen ernstig zijn, is het belangrijk om het risico in perspectief te plaatsen. Voor het grootste gedeelte van de mensen die besmet raken, veroorzaakt het westnijlvirus geen ernstige ziekte.
Volgens het RIVM krijgt ongeveer één op de vijf mensen die geïnfecteerd raken daadwerkelijk symptomen. Dat betekent dat veel besmettingen zonder duidelijke ziekteverschijnselen kunnen verlopen.
Wanneer er wel klachten ontstaan, lijken die regelmatig op griep. Koorts, hoofdpijn en spierpijn behoren tot de symptomen die kunnen optreden.
Daardoor zal iemand bij dergelijke klachten niet automatisch denken aan het westnijlvirus. Zeker wanneer de symptomen relatief mild blijven, kan een besmetting gemakkelijk onopgemerkt voorbijgaan.
Soms zijn de gevolgen veel ernstiger
Bij een klein percentage van de besmettingen kan het ziektebeeld echter aanzienlijk ernstiger worden. Het RIVM schat dat ongeveer één procent van de geïnfecteerde mensen ernstig ziek wordt.
In zulke gevallen kan het virus onder meer neurologische complicaties veroorzaken. Voorbeelden daarvan zijn een hersenontsteking of hersenvliesontsteking.
Dat zijn ernstige aandoeningen waarvoor medische behandeling noodzakelijk kan zijn. De vier gemelde overlijdens onderstrepen dat een besmetting met het westnijlvirus in uitzonderlijke gevallen grote gevolgen kan hebben.
Tegelijkertijd blijft het belangrijk om het onderscheid te maken tussen het totale aantal infecties en het relatief kleine gedeelte waarbij ernstige ziekte ontstaat.
Ook paarden raken besmet
Het westnijlvirus wordt niet alleen bij mensen gevonden. Ook onder paarden zijn dit jaar veel besmettingen vastgesteld.
De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit meldt dat er in één week veertien positief geteste paarden zijn bijgekomen. Daarmee staat het totale aantal geregistreerde besmettingen bij paarden dit jaar op 150.
De positief geteste dieren komen uit verschillende delen van Nederland. Besmettingen zijn gemeld in Zuid-Holland, Noord-Holland, Utrecht, Gelderland en Noord-Brabant.
Dat laat zien dat het virus niet uitsluitend op één locatie circuleert. Zowel bij mensen als dieren worden in meerdere provincies infecties vastgesteld.
Vogels spelen belangrijke rol
De natuurlijke cyclus van het westnijlvirus draait voornamelijk om vogels en muggen. Besmette vogels kunnen het virus bij zich dragen, waarna muggen tijdens een bloedmaaltijd geïnfecteerd raken.
Die muggen kunnen het virus vervolgens verder verspreiden. Mensen en paarden kunnen daardoor uiteindelijk eveneens worden besmet.
Het bijzondere is dat de aanwezigheid van het virus daardoor sterk samenhangt met de aanwezigheid en activiteit van bepaalde muggensoorten en vogels.
Omstandigheden die gunstig zijn voor muggen kunnen invloed hebben op de verspreiding. Vooral tijdens warmere perioden zijn muggen actiever, waardoor ook het aantal momenten waarop mensen gestoken kunnen worden toeneemt.
Niet iedere mug draagt het virus
De aanwezigheid van het westnijlvirus betekent overigens niet dat iedere mug gevaarlijk is. Een mug moet zelf eerst geïnfecteerd zijn voordat deze het virus kan overdragen.
Daarvoor moet het insect bijvoorbeeld eerder een vogel hebben gestoken die het virus bij zich droeg. Pas daarna kan overdracht tijdens een volgende beet plaatsvinden.
Een gewone muggenbeet betekent dus zeker niet automatisch dat iemand het westnijlvirus oploopt. Het aantal geregistreerde besmettingen blijft relatief beperkt wanneer het wordt afgezet tegen het enorme aantal muggenbeten dat jaarlijks in Nederland plaatsvindt.
Toch houden gezondheidsinstanties de verspreiding nauwlettend in de gaten, juist omdat ernstige ziekte bij een klein gedeelte van de patiënten mogelijk is.
Uitbraak lijkt over hoogtepunt
De ontwikkeling van de komende weken zal duidelijker maken hoe snel het aantal nieuwe besmettingen verder afneemt. Het RIVM ziet momenteel in ieder geval een dalende lijn in het aantal nieuwe infecties.
Daarom wordt verwacht dat het hoogtepunt van de huidige uitbraak achter ons ligt. Nieuwe meldingen zijn daarmee echter nog niet uitgesloten.
Met inmiddels 56 gemelde besmettingen bij mensen en 150 positief geteste paarden is duidelijk dat het westnijlvirus dit jaar op meerdere plekken in Nederland aanwezig is geweest.
Voor de meeste mensen zal een eventuele infectie zonder ernstige gevolgen verlopen. De recente sterfgevallen laten tegelijkertijd zien waarom het virus serieus wordt gevolgd.
Vooral het verschil tussen een ongemerkte besmetting en een zeldzaam ernstig ziekteverloop maakt het westnijlvirus opvallend. Terwijl veel mensen nauwelijks iets merken, kan dezelfde infectie bij een klein deel van de patiënten leiden tot ernstige complicaties zoals hersen- of hersenvliesontsteking.
Nu het aantal nieuwe infecties afneemt, lijkt de meest intensieve periode van de uitbraak voorbij. Gezondheidsinstanties blijven de situatie echter volgen om te zien hoe het virus zich verder ontwikkelt en waar eventuele nieuwe besmettingen worden vastgesteld.










